1juli 11, 2015 / Off

De van China afkomstige Trachycarpus fortunei (ook wel de Windmolenpalm genoemd) zal geen onbekende zijn voor Belgische palmliefhebbers. Doordat ze in hun thuisland in hoog berggebied groeien, is het één van de meest winterharde palmsoorten. Buiten hun hoge vorsttolerantie, zijn ze uniek erin dat ze ook perfect opgewassen zijn tegen koele, vochtige zomers. Als vergelijking: de Rhapidophyllum kan nog net iets lagere temperaturen verdragen in de winter, maar zij hebben dan wel weer veel warmere zomers nodig.
De fortunei wordt 12 tot 20 meter hoog, met een ruwe stam die 15 à 30 centimeter in omtrek bedraagt. Het is een zogeheten waaierpalm, met bladeren in een waaiervorm die bovenop een lange steel staan. Binnen de soort is nog enige variatie mogelijk: sommige planten hebben volledig rechte ‘waaierpunten’, maar anderen hebben naar beneden afhangende. Aanvankelijk groeit de palm traag, maar vanaf dat de harige stam gevormd is, kunnen ze jaarlijks tot een halve meter omhoogschieten.
De Trachycarpus fortunei ‘Wagnerianus’ is een semi-dwerg variant die niet in het wild voorkomt, maar werd gecultiveerd van de fortunei. Ze worden maar een vijftal meter hoog, met bladeren van zo’n 45 centimeter lang, waardoor ze erg goed bestand zijn tegen krachtige windstoten, in tegenstelling tot hun windschuwe ‘grote broer’ en dat maakt ze een absolute aanrader voor tuinen zonder beschutting. Alhoewel ze vaak als een aparte soort behandeld worden, horen ze officieel bij de Trachycarpus fortunei.
Beide soorten worden algemeen beschouwd als de makkelijkste palmen qua verzorging en de minst veeleisende wat betreft staanplaats. Zolang de grond maar goed gedraineerd is, maken deze gemoedelijke jongens er wel het beste van.